Dutch example sentences with "vertellen"

Learn how to use vertellen in a Dutch sentence. Over 100 hand-picked examples.

Als ik je wilde bang maken, zou ik je vertellen waar ik een paar weken geleden over gedroomd heb.

Wilde je me over vrijheid vertellen?

Zou u me kunnen vertellen hoe ik bij het station kom?

Je hoeft het niet aan je ouders te vertellen.

Zou u me kunnen vertellen wat uw huidige adres is?

Je had haar de waarheid moeten vertellen.

Om jou de waarheid te vertellen, ik ben jouw pen verloren.

Ik wil jou iets raars vertellen.

Sorry, ik kan jou mijn naam niet vertellen. Het is te onfatsoenlijk.

"Fanta drinken en noobs vertellen dat ze hun kop moeten houden," antwoordde Al-Sayib, terwijl hij een slokje van de eerdergenoemde Fanta nam. "Wacht even, met wie spreek ik?"

"Hè?" Dima begreep het niet. "Maar spreek ik niet met Al-Sayib? En ben je geen Fanta aan het drinken en noobs aan het vertellen dat ze hun kop moeten houden?"

Ik zal het hem vertellen, als ik het niet vergeet.

Ik zal je meer vertellen over Japan.

Ik zal u mijn verhaal vertellen.

Ik zal u onmiddellijk mijn levensverhaal vertellen.

Ik zal het nooit aan iemand vertellen.

Deze eindeloze zakenreizen vertellen veel over zijn huwelijk.

Ik ben helemaal niet van plan u de uitslag te vertellen.

Kunt u mij vertellen wat de naam van deze straat is?

Ze zei dat ik het aan niemand moest vertellen. Dus heb ik mijn mond gehouden.

Ik zal je over Japan vertellen.

Trouwens, ik heb je iets te vertellen.

Kun je me in de plaats daarvan vertellen waarom de planeten op het scherm op die manier gekleurd zijn?

Neem u me niet kwalijk maar, kunt u mij de weg naar het station vertellen?

Het is noodzakelijk om met drie te zijn om een goed verhaal te waarderen: één om het goed te vertellen, één om ervan te genieten en één om er niets van te begrijpen. Omdat het plezier van de twee eersten verdubbeld wordt door het onbegrip van de derde.

Jij had me eerder van het probleem vertellen moeten.

Ze wilde echt het verhaal vertellen.

Je kan hem net zo goed niks over haar vertellen.

Ik vind het belangrijk hem de feiten te vertellen.

Vroeg of laat zal hij me alles vertellen.

Ik vind het belangrijk om de waarheid te vertellen.

Zal je me de waarheid vertellen?

Kinderen geloven wat hun ouders ze vertellen.

Conchita besloot Mary de waarheid te vertellen.

Je had me dat gisteren moeten vertellen.

Kun je me iets over jezelf vertellen?

Je kunt het me maar beter vertellen als je iets fout hebt gedaan.

Ik sta op het punt je iets belangrijks te vertellen.

Morgen moet ik haar de waarheid vertellen.

Kunt u mij alstublieft vertellen waar het treinstation is?

Mensen komen me de meest vertrouwelijke dingen over hun leven vertellen, over hun problemen, hun gevoelens, hun nacht- en dagdromen.

Wat er ook gebeurt, ik zal er niemand iets over vertellen.

Ik heb je iets te vertellen.

Ik heb je iets te vertellen. Ik ben je broer.

Ik zal het niemand vertellen.

Ik zal jou mijn verhaal vertellen.

Zij kan zonder blikken of blozen de meest schandalige leugen vertellen.

Ik zal Tom het goede nieuws gaan vertellen.

Ik kan jou niet vertellen hoe je het woord moet uitspreken.

Elke arts zal je vertellen te stoppen met roken.

Kunt u me vertellen wat er aan de hand is?

Kunt u me vertellen wat er gaande is?

Kun je me vertellen welke kant ik op moet?

Kunt u mij alstublieft vertellen wanneer ik moet uitstappen?

Kunt u er ons over vertellen?

Ik heb niets bijzonders te vertellen.

Kom allemaal hier! Oma wil ons vertellen hoe het leven de vorige eeuw was.

Ik kan niet anders dan lachen als ik zoiets hoor vertellen.

Ik zal je de waarheid vertellen: Ik heb tegen je gelogen.

Ik zal je over mijn vader vertellen.

Ik zou willen dat ik je de reden kan vertellen, maar dat kan ik niet.

Kunt u ons vertellen wat er daarna gebeurde?

Kun je ons vertellen wat er daarna gebeurde?

Ik ga je iets belangrijks vertellen.

Ik ga je iets nieuws vertellen.

Kunt u ons vertellen wat er daarna is gebeurd?

Als je het niet gaat vertellen, ga ik.

Je gaat me nu vertellen wat je weet!

Ik had ’t jullie willen vertellen.

Ik had je dit alles al veel eerder moeten vertellen.

Ik zal jou een geheim vertellen.

Als iemand op reis gaat, kan hij wel wat vertellen.

Ik ben geen gedachtenlezer. Je moet me vertellen wat je wil.

Ik kan mijn beste vriend alles vertellen.

Ik kan mijn beste vriendin alles vertellen.

Tom liet me zweren Mary niets te vertellen.

Ik wist niet wat ik Tom moest vertellen.

Je kan me nog meer vertellen!

Zou je me alsjeblieft kunnen vertellen waarom je van haar houdt?

Kom hier. Ik moet je iets vertellen.

Die twee hebben elkaar zeker veel te vertellen.

Kan ik je een geheimpje vertellen?

Ga je me vertellen wat het is?

Er is nog veel te vertellen.

Tom zag dat Mary niet begreep wat hij haar wilde vertellen.

Wat probeert Tom ons te vertellen?

Ik wil je vertellen wat er gebeurd is.

Je moet het me vertellen.

U moet het me vertellen.

Jullie moeten het me vertellen.

Ik zal jullie vertellen wat ik ga doen.

Kunt u mij vertellen hoe deze wasmachine gebruikt moet worden?

Waarom wil je ons de waarheid niet vertellen?

Waarom willen jullie ons de waarheid niet vertellen?

Waarom wilt u ons de waarheid niet vertellen?

Ik had heel wat te vertellen over het onderwerp.

Kan je me alsjeblieft vertellen wat er gebeurd is?

Wie gaat het Tom vertellen?

Het is niet te laat haar te vertellen dat je van haar houdt.

Tom had niet zijn geheimen aan Maria moeten vertellen.

Zou je Tom kunnen vertellen dat ik met hem moet praten?

Also check out the following words: nergens, experiment, mislukking, boeken, portemonnee, verloren, Hoeveel, kost, vanwege, ver.