Dutch example sentences with "gelijk"

Learn how to use gelijk in a Dutch sentence. Over 100 hand-picked examples.

Je hebt gelijk.

Alle mensen worden vrij en gelijk in waardigheid en rechten geboren. Zij zijn begiftigd met verstand en geweten, en behoren zich jegens elkander in een geest van broederschap te gedragen.

Volgens mij heeft hij gelijk.

Warempel, je hebt nog gelijk ook.

Het heeft niks met mij te maken, staat gelijk aan dat ik hier niet hoef te zijn. Daarom ga ik hier weg, ongeacht wat er gezegd zal worden.

Je hebt helemaal gelijk.

Vanuit dit oogpunt, zouden we moeten zeggen dat hij gelijk had.

De klant heeft altijd gelijk.

Je hebt bijna gelijk.

Natuurlijk, hij heeft gelijk.

Vijf plus drie is gelijk aan acht.

Ik vermoed dat je gelijk hebt.

Alle mensen zijn gelijk.

Ik denk dat Tom gelijk heeft.

De tijd zal tonen wie van ons gelijk heeft.

Ik weet het niet, misschien hebt ge wel gelijk.

De man heeft gelijk.

Alle dieren zijn gelijk, maar sommige dieren zijn gelijker dan andere.

Alle mensen zijn van geboorte vrij en gelijk in waardigheid en in rechten.

Mij is het allemaal gelijk, wat er met mij zal gebeuren.

Wie al heeft, heeft gelijk.

Het is mij gelijk, of ik nat word.

Mij is het gelijk.

Daarover zou je gelijk kunnen hebben.

Hij helpt gelijk wie die hem om hulp vraagt.

Het is mij gelijk wat hij doet.

Maar ge hebt volledig gelijk, mijnheer de eerste minister!

In zekere zin heeft zij ook gelijk.

Ik vind dat hij gelijk heeft.

Diegene bij wie we ons geld verdienen geven we meestal gelijk.

Grote geesten denken gelijk.

Hij heeft helemaal gelijk.

Je hebt volkomen gelijk.

Als het u gelijk is: ik blijf liever thuis.

Misschien hebt ge gelijk.

Een vector is een eenheidsvector als zijn norm gelijk is aan een.

Ge hebt helemaal gelijk.

Misschien heb je wel gelijk, ik was egoïstisch.

De som van de kwadraten van de rechthoekszijden is gelijk aan het kwadraat van de hypotenusa.

Je mag schrijven in welke taal je maar wilt. Hier op Tatoeba zijn alle talen gelijk.

Ik durf te zeggen dat hij gelijk heeft.

Ergens hebt ge gelijk dat ge niet bij die club wilt aansluiten.

Voor God zijn alle mensen gelijk.

Zijn ze allemaal gelijk?

Je hebt op dat punt gelijk. Ik vraag me af of ze je zullen begrijpen.

Ho! Ge hebt helemaal gelijk!

Wie zijn mond houdt als hij gelijk heeft, is een echtgenoot.

Jongeren denken dat ze altijd gelijk hebben.

Het is me allemaal gelijk.

Ik heb gelijk.

Nou, je zou gelijk kunnen hebben.

Het viel me gelijk op dat ze bijzonder lange benen had.

Tom bleek gelijk te hebben.

Om eerlijk te zijn: ik heb altijd gelijk.

Voor een keer heb ik gelijk.

De Zwitserse psycholoog Claude Piron beschouwt de toepassing van Esperanto "rechtvaardiger dan gelijk welke andere manier van communiceren tussen verschillende culturen".

De Zwitserse psycholoog Claude Piron zei over Esperanto, dat het "ons meer vrije keuze laat in de manier van ons uit te drukken, dan gelijk welk ander communicatiemiddel."

Ze denkt dat ze altijd gelijk heeft.

God heeft altijd gelijk.

Ik denk dat je gelijk had.

Ik heb mijn oranje sjaal en witte schort zeer helder gemaakt, zodat het mensen gelijk zou opvallen.

Inktvis Paul had gelijk.

We zijn allen gelijk voor de wet.

Geen van ons heeft gelijk.

Eén plus twee is gelijk aan drie.

Ik hou niet van voorstanders van de Engelse taal. Vooral als ze gelijk hebben.

Ergens hebt ge gelijk, maar ik heb nog mijn twijfels.

Weinigen zijn geneigd om te denken, hoewel iedereen geneigd is om gelijk te hebben.

Ik hoop dat Tom gelijk heeft.

Het had gelijk wie kunnen overkomen.

Heb ik gelijk?

Na de rust kwam Ajax gelijk.

Ze hadden gelijk.

Alle studenten stonden gelijk recht.

Honderd cent is gelijk aan een dollar.

Een ding staat vast: hij had gelijk.

Ik veronderstel dat je gelijk hebt.

Ik denk dat hij gelijk heeft.

Een dollar is gelijk aan honderd dollarcent.

Ik moet bekennen dat hij gelijk heeft.

Het kwadraat van de hypotenusa is gelijk aan de som van de kwadraten van de twee andere zijden.

Ik neig ertoe te geloven dat u gelijk heeft.

Misschien heb je gelijk.

Ik denk dat je vandaag een beetje ruzie zoekt. Heb ik gelijk?

Ik ben overtuigd dat ik gelijk heb.

U heeft eigenlijk gelijk.

Het spijt me, maar Tom heeft gelijk.

Ik geloof dat Tom helemaal gelijk heeft.

Ik geloof dat ik gelijk heb.

Uitzonderlijk heb ik nu eens gelijk.

Deze keer heb ik gelijk.

De afstand van A naar B is precies gelijk aan de afstand van B naar A.

Ze hebben geen gelijk.

Uiteindelijk had hij toch gelijk.

Misschien heeft Tom gelijk.

In de wiskunde van de liefde is één plus één alles, terwijl twee minus één gelijk is aan nul.

De freelancers die al meer dan tien jaar voor zichzelf werken, zagen hun inkomsten vooral gelijk blijven.

Niet alle delen van de taart waren gelijk.

Ik had gelijk.

We hadden gelijk.

Zij had gelijk.

Also check out the following words: beleefd, zijn, Spanjaarden, twee, achternamen, Paco, tekent, stadsgezichten, Raúl, kan.