Dutch example sentences with "nooit"

Learn how to use nooit in a Dutch sentence. Over 100 hand-picked examples.

Heb je gezegd dat ik nooit zou kunnen winnen?

Hier komt nooit een eind aan.

Ik heb nooit van biologie gehouden.

Hij liegt nooit.

Ik zal het nooit meer doen.

Ik heb nog nooit een echte koe gezien.

Zoiets heb ik nog nooit in mijn leven gezien, niet één keer!

Kom nooit meer aan dat flesje!

Het was nooit de bedoeling dat mensen eeuwig zouden leven.

Ik had nooit gedacht dat ik op een dag het woord "viagra" zou opzoeken op Wikipedia.

Tot nu toe heb ik nog nooit een echte koe gezien.

Ik wil je nooit meer zien.

Heb je nooit les of zo?

"Daar heb ik nog nooit aan gedacht," zei de oude man. "Wat moeten we doen?"

Jij hebt nooit tijd voor de belangrijke dingen!

Er zijn altijd dingen die ik nooit zal leren, ik heb de eeuwigheid niet voor de boeg.

Ik ben geen kunstenaar, ik heb daar nooit over nagedacht.

Laat ik je hier nooit meer zien!

Ik zal je nooit vergeten.

Er kwam nooit iemand op mijn verjaardag.

Zoiets heb ik nog nooit gezien.

Ik maak verre reizen, zie vreemde landen, doe dingen die ik nooit eerder deed.

Boven stonden vier opgemaakte bedden, maar op drie werd nooit geslapen.

Twee keer in de week kwam de tuinman om het gras te maaien, daarom kon ik nooit in het lange gras liggen.

Maar dat heb je me nooit verteld!

Hij had nooit een gezonde indruk gemaakt, zelfs niet in zijn jonge studentenjaren.

Ja hoor, daar heb je hem weer met zijn dierenmishandeling. Hij kan het ook nooit eens ergens anders over hebben.

Iedereen is een maan en heeft een donkere zijde die hij nooit aan iemand laat zien.

Ieder van ons is als de maan: we hebben allemaal een donkere kant, die we nooit laten zien.

Ik krijg nooit eens de gelegenheid om ook wat in te brengen, want Emma maait steeds het gras voor mijn voeten weg.

Het is nooit te laat om te leren.

We leren uit ervaring dat mensen nooit iets leren uit ervaring.

Als je iemand $20 uitleent en je ziet die persoon daarna nooit meer, dan was het dat waarschijnlijk waard.

Ik heb persoonlijk nooit een ufo gezien.

Stel nooit uit tot morgen wat je overmorgen kunt doen.

De mensen op kantoor zullen nooit instemmen.

Ik had nog nooit eerder van Lviv gehoord.

Ik zelf hou erg van de lente, ik heb nooit van de zomer gehouden.

Tijd heeft geen onderverdelingen om het verstrijken ervan aan te duiden, er is nooit een onweersbui of trompetgeschal om het begin van een nieuwe maand of een nieuw jaar aan te kondigen. Zelfs wanneer er een nieuwe eeuw aanbreekt, zijn alleen wij stervelingen het, die klokken luiden en pistolen afschieten.

De natuur bedriegt ons nooit; het zijn altijd wij die onszelf bedriegen.

Ik heb gezworen nooit meer tegen haar te praten.

Hij verliest nooit de hoop.

De jongen is nog nooit in de dierentuin geweest.

In tijden van crisis moet je nooit het verleden gaan idealiseren.

Ik had nooit gedacht dat ik zelf deze fout zou maken.

Beter laat dan nooit.

Je weet nooit hoe een koe een haas vangt.

Wie voor een dubbeltje geboren is, wordt nooit een kwartje.

Van hard werken is nog nooit iemand doodgegaan. Maar waarom het risico nemen?!

Ik geloof in geestelijke kracht en zal je nooit verlaten.

Ik heb nog nooit een rode koelkast gezien.

Jack zou zijn zus nooit meer zien.

Ik ben nooit in Hiroshima geweest.

Mijn moeder staat nooit vroeg op.

Ze zullen nooit akkoord gaan.

Ik had die stad nog nooit bezocht, slechter nog, ik kende zelfs geen woord van de taal die daar werd gesproken.

Ik had hem nog nooit tevoren gezien.

Ik zou graag deze stad verlaten en nooit meer terugkeren.

Zijn ideeën hebben hem nooit een cent opgeleverd.

Zijn ideeën hebben hem nooit geld opgebracht.

Zijn ideeën hebben hem nooit een cent opgebracht.

Voor zover ik weet is hij nog nooit op tijd gekomen.

Weet je, mensen creëren geen tijd; als we dat wel deden, zou het nooit opraken.

Ik zie hem de laatste tijd bijna nooit.

"Werkelijk, mijn vader, het is nog nooit voorgevallen dat ik een overledene heb verkocht."

Je bent nog nooit in Europa geweest, toch?

Dat zou ik nooit gedacht hebben.

Zij is spraakzaam, maar haar echtgenoot is helemaal tegengesteld en spreekt nooit.

Ik kan nooit zo mooi schrijven als hij.

Natuurlijk zal ik je helpen, twijfel daar nooit aan.

Neen, ik zal nooit liegen tegen hem.

Hij verzekert nooit iets, zegt altijd ofwel "misschien" ofwel "waarschijnlijk".

Dat heb ik nooit gezegd!

Ik geef nooit op.

Ik geef nooit toe.

Vroeger, toen ik nog op turnen zat, heb ik ooit eens mijn enkel verstuikt toen ik alleen een flikflak probeerde te doen. Ik had dat nog nooit alleen gedaan, maar ik durfde geen hulp te vragen, omdat ik net in een nieuwe groep zat en nog niemand kende.

Misschien zal hij wel nooit beroemd worden.

De leden van deze sekte eten nooit bloedworst.

Zolang we enkel gericht blijven op productie en consumptie, zullen we nooit onze problemen te boven komen.

Ik geniet nooit van de eenzaamheid; ik lijd er alleen maar onder.

Ik ben nooit een aanhanger geweest van het christendom.

Ik zal jullie nooit vergeten.

Wie altijd schaterlacht is dwaas, wie nooit schaterlacht is ongelukkig.

Zij heeft dat nooit gezegd, misschien vergis je je!

Wat voorbij is, is voorbij, en het komt nooit meer terug.

Juko heeft nog nooit met een buitenlander gesproken.

Ik heb nog nooit zo een mooie zonsondergang gezien.

Ik verzeker je dat een fout zoals deze nooit meer zal voorkomen.

Ik zweer dat ik daar nooit iemand over verteld heb.

Wat nooit verwacht werd, komt soms plots.

Hij komt nooit op tijd.

Ik zal nooit uw welwillendheid in deze zaak vergeten.

Het enige dat nooit te laat komt, is een goed woord.

Hij moet de havelozen helpen, en nooit zijn gunst weigeren aan de sukkelaars.

We zullen nooit opnieuw verliefd worden.

In 1900 verliet hij Engeland, om nooit meer terug te keren.

Ik heb nooit gehoord van die acteur.

Mijn vader heeft de armen nooit geminacht.

Jeff denkt dat hij nooit verliefd zal worden.

Ik heb nog nooit in mijn leven een trein gehoord of gezien.

Ik heb u nooit zo horen spreken.

Also check out the following words: baten, kaars, vat, verzuurt, overdag, netten, schoen, trekke, slaan, stok.