By using this site, you agree that we're using cookies to save preferences and for telemetry data such as Google Analytics.

← Conjugate another Dutch verb

Dutch verbs starting with S

All 335 verbs. Click to view a conjugation table.



sabbelen, sabberen, saboteren, sacreren, sakkeren, salderen, salueren, samenhangen, samenkomen, samenstellen, samenvallen, samenvatten, samenzweren, sanctioneren, saneren, sappelen, satineren, sauveren, savoureren, scalperen, scanderen, schaatsen, schaden, schakelen, schakeren, schallen, schamen, schamperen, schandaliseren, scharen, scharnieren, scharrelen, schateren, schatten, schavelen, schavielen, scheiden, scheidsrechteren, schelden, schelen, schellen, schematiseren, schemeren, schenden, schenken, scheppen, scheren, schermutselen, scherpen, schertsen, schetteren, scheuren, schieten, schijnen, schijten, schikken, schilderen, schilferen, schillen, schimmelen, schipperen, schitteren, schmieren, schnabbelen, schoffelen, schofferen, schokschouderen, schommelen, schooieren, schoolmeesteren, schoonmaken, schotelen, schouderen, schrappen, schreeuwen, schreien, schrijden, schrijven, schrikken, schrobben, schroeien, schroeven, schrokken, schrompelen, schudden, schuieren, schuifelen, schuilen, schuimen, schuiven, schutteren, scrabbelen, seconderen, seculariseren, segmenteren, segregeren, seksualiseren, sekwestreren, selecteren, sensibiliseren, separeren, seponeren, serveren, settelen, shamponeren, shockeren, sidderen, siepelen, sieren, signaleren, signeren, sijpelen, simplificeren, simuleren, sinteren, situeren, sjabloneren, sjacheren, sjoelen, sjoemelen, skeletteren, skelteren, slaan, slaapwandelen, slabberen, slachten, slachtofferen, slagen, slapen, slenteren, slepen, sleutelen, slibberen, slieren, slijpen, slijten, slikken, slingeren, slinken, slobberen, slodderen, sluieren, sluimeren, sluipen, sluiten, slungelen, smachten, smaden, smaken, smeden, smeken, smelten, smeren, smetten, smiespelen, smijten, smikkelen, smodderen, smoezelen, smokkelen, smoren, snateren, snebberen, sneeuwen, snellen, sneren, sneukelen, sneuvelen, snieren, snijden, snikken, snipperen, snoeien, snoeren, snookeren, snorkelen, snotteren, snuffelen, snuisteren, snuiten, snuiven, snurken, socialiseren, sodemieteren, soigneren, solderen, solemniseren, soleren, solidariseren, solliciteren, solveren, sommeren, sonderen, sorteren, souffleren, souperen, souteneren, sovjetiseren, spannen, sparen, spartelen, specialiseren, specificeren, speculeren, spelen, spellen, spenderen, spetteren, spiegelen, spieren, spijbelen, spijkeren, spijten, spikkelen, spinnen, spioneren, spirantiseren, spitsen, splijten, splinteren, splitsen, spoeden, spoelen, spotten, sprankelen, spreiden, spreken, sprenkelen, springen, sproeien, sprokkelen, spruiten, spugen, spuiten, sputteren, staan, stabiliseren, staffelen, stagneren, stakelen, staken, stamelen, stammen, standaardiseren, stapelen, stappen, staren, starten, stationeren, staven, steigeren, steken, stelen, stellen, stemmen, stempelen, stenograferen, stereotyperen, steriliseren, sterken, sterven, steunen, stichten, stiefelen, stigmatiseren, stijfselen, stijgen, stijven, stikken, stileren, stillen, stilstaan, stimuleren, stinken, stippelen, stipuleren, stockeren, stoelen, stofferen, stofzuigen, stofzuigeren, stomen, stommelen, stoppen, storen, storneren, storten, stoten, stotteren, stoven, straffen, stranden, strekken, strelen, strengelen, streven, stribbelen, strijden, strijken, strikken, stromen, strompelen, strooien, strubbelen, structureren, struikelen, studeren, stuiteren, stuiven, stumperen, stuntelen, sturen, sublimeren, subordineren, substantiveren, substitueren, sudderen, suggereren, suikeren, suizelen, sukkelen, superviseren, suppleren, supporteren, supprimeren, surfen, surinamiseren, surveilleren, suspenderen, symboliseren, sympathiseren, synchroniseren, syncoperen, synthetiseren, systematiseren.