By using this site, you agree that we're using cookies to save preferences and for telemetry data such as Google Analytics.

← Conjugate another Dutch verb

Dutch verbs starting with K

All 266 verbs. Click to view a conjugation table.



kaaien, kaarten, kabbelen, kadastreren, kaderen, kadreren, kafferen, kakelen, kaken, kalanderen, kalefateren, kalfateren, kalibreren, kalken, kalligraferen, kalmeren, kalveren, kammen, kampen, kamperen, kanaliseren, kandideren, kankeren, kannibaliseren, kanonneren, kantelen, kantonneren, kapitaliseren, kapittelen, karakteriseren, karateren, karikaturiseren, karnoffelen, kartelen, karteren, kartonneren, karweien, kasjeren, kasseien, kastijden, katalyseren, katapulteren, katheteriseren, katten, kauwen, kavelen, kazerneren, keffen, kegelen, keilen, kelderen, kelen, kenmerken, kennen, kenteren, keperen, keren, kerken, kerkeren, kerven, ketenen, ketteren, keuren, keutelen, keuteren, keuvelen, keveren, kibbelen, kieken, kielen, kielhalen, kieperen, kieren, kietelen, kiezen, kijken, kijven, kikken, kikkeren, kisten, kittelen, klaarmaken, klabetteren, kladden, kladderen, kladschilderen, klagen, klakken, klapperen, klapwieken, klasseren, klateren, klauteren, kledderen, kleden, kleineren, klemmen, klepelen, klepperen, kletteren, kleuren, kleuteren, kleven, kliederen, klieken, klieren, klieven, klimmen, klingelen, klinken, klisteren, klodderen, klokken, kloneren, klonteren, klooien, kloppen, kloven, kluisteren, kluiven, klungelen, kluppelen, knabbelen, knakken, knallen, knapperen, kneden, knellen, knetteren, kneukelen, kneuteren, knevelen, knibbelen, knielen, knijpen, knikkebollen, knikken, knikkeren, knipogen, knippen, knipperen, knisperen, knisteren, knobbelen, knobelen, knoeien, knokken, knotten, knuffelen, knuppelen, knutselen, koeioneren, koekeloeren, koeken, koelen, koeren, koesteren, koeteren, kofferen, kogelen, koken, koketteren, kokkelen, kokken, kokkerellen, kokkeren, kolderen, kolken, kollen, kolonialiseren, koloniseren, kolven, komen, konkelen, konvooieren, kopen, koperen, koppelen, koprollen, korrelen, korten, kortvleugelen, kortwieken, kosten, kostumeren, koteren, kotteren, kouten, kraaien, krabbelen, krabben, krakelen, kraken, kralen, krengen, krenken, kreukelen, kreunen, kreupelen, krevelen, kribbelen, kriebelen, krielen, krieuwelen, krijgen, krijsen, krijten, krikken, krimpen, kringelen, krinkelen, krioelen, kristalliseren, kritiseren, kroden, kroelen, kroezelen, krommen, kronen, kronkelen, kruchen, kruiden, kruien, kruimelen, kruipen, kruisen, kruisigen, kruiven, krukken, krullen, kuberen, kuchen, kuieren, kuilen, kuiven, kukelen, kullen, kunnen, kurken, kussen, kwaadspreken, kwadrateren, kwadreren, kwaken, kwakkelen, kwakken, kwalificeren, kwalsteren, kwanselen, kwantificeren, kwebbelen, kweken, kwekken, kwelen, kwellen, kwetsen, kwetteren, kwezelen, kwijlen, kwijnen, kwijten, kwijtraken, kwijtschelden, kwinkeleren, kwispelen, kwiteren.