By using this site, you agree that we're using cookies to save preferences and for telemetry data such as Google Analytics.

← Conjugate another Dutch verb

Dutch verbs starting with B

All 381 verbs. Click to view a conjugation table.



babbelen, badderen, baden, badineren, bagatelliseren, baggelen, baggeren, bakeren, bakken, balanceren, balderen, balkaniseren, balloteren, banen, banjeren, bankieren, barreren, barricaderen, barsten, baseren, bastaarderen, baten, bazelen, beantwoorden, beargumenteren, beboeren, beboteren, bebouwen, becijferen, beconcurreren, bedaren, bedekken, bedelen, bedenken, bederven, bedienen, bedisselen, bedoelen, bedonderen, bedotten, bedragen, bedreigen, bedriegen, bedrijven, bedroeven, bedroppelen, bedruppelen, beduimelen, beduvelen, bedwingen, beffen, begaan, begeesteren, begeleiden, begenadigen, begeren, begeven, begieren, begiftigen, beginnen, begoochelen, begraven, begrijpen, begroeten, begroten, begunstigen, behalen, behandelen, beheersen, beheren, behoeden, behoeven, behoren, behouden, beieren, beijveren, beitelen, bejammeren, bejubelen, bekabelen, bekendmaken, bekennen, bekeren, bekijken, beklagen, beklauteren, bekleden, beklimmen, beknabbelen, beknibbelen, bekoelen, bekogelen, bekomen, bekommeren, bekonkelen, bekoren, bekrachtigen, bekritiseren, beladen, belasten, belasteren, belatafelen, belazeren, beledigen, belegeren, beleggen, belemmeren, beleren, beletten, beleven, believen, belijden, bellen, beloeren, belommeren, belonen, beloven, beluisteren, bemantelen, bemerken, bemesten, bemeubelen, bemiddelen, bemoederen, bemoedigen, bemoeien, bemonsteren, benadelen, benaderen, benadrukken, benevelen, bengelen, benijden, benoemen, benutten, beoefenen, beoordelen, bepalen, bepantseren, beperken, bepleisteren, bepoederen, bepoeieren, bepraten, beraadslagen, beredderen, beredeneren, bereiken, berekenen, bergen, berichten, berispen, beroeren, beroven, berusten, beschadigen, beschaven, beschermen, beschikken, beschilderen, beschimmelen, beschouwen, beschrijven, beschuldigen, beseffen, besjoemelen, beslaan, beslissen, besluiten, besmeren, besmetten, besnuffelen, besodemieteren, bespatten, bespelen, bespiegelen, bespijkeren, bespikkelen, bespioneren, bespoedigen, bespotten, bespreken, besprenkelen, besproeien, bestaan, besteden, bestelen, bestellen, bestemmen, bestempelen, bestieren, bestraffen, bestrijden, bestrooien, bestuderen, besturen, besuikeren, betalen, betasten, betegelen, betekenen, beteren, beteugelen, betimmeren, betitelen, betoveren, betrappen, betreden, betreffen, betrekken, betreuren, betuttelen, betwijfelen, betwisten, beugelen, beuken, beuzelen, bevallen, bevangen, bevaren, bevatten, beveiligen, bevelen, beven, bevestigen, bevinden, bevingeren, bevloeren, bevochtigen, bevoelen, bevolken, bevoordelen, bevoorraden, bevorderen, bevredigen, bevrijden, bevuilen, bewaken, bewandelen, bewapenen, bewaren, bewateren, bewegen, bewegwijzeren, beweren, bewerken, bewerkstelligen, bewijzen, bewimpelen, bewonderen, bewonen, bezegelen, bezeren, bezetten, bezichtigen, bezielen, bezien, bezighouden, bezitten, bezoedelen, bezoeken, bezorgen, bezuinigen, bezwadderen, bezwangeren, bezwendelen, bezweren, bezwijken, beëindigen, beïnvloeden, bibberen, bidden, bieden, biggelen, bijdragen, bijeenscharrelen, bijeentrommelen, bijkrabbelen, bijleren, bijleveren, bijschilderen, bijsmeren, bijspelen, bijspijkeren, bijstaan, bijten, bijvoegen, bijvullen, bijwonen, bikkelen, billijken, binden, binnendruppelen, binnenkomen, binnenlaten, binnensmokkelen, biologeren, bisseren, bitteren, bitumineren, bivakkeren, bladderen, bladeren, blaffen, blakeren, blameren, blancheren, blasfemeren, blazen, blesseren, blijken, blijven, blikkeren, bliksemen, blinderen, blinken, bloeden, bloeien, blokkeren, blokletteren, blonderen, blozen, blubberen, blunderen, blussen, bobbelen, boeien, boeleren, boemelen, boeren, boeten, boetseren, bolderen, bombarderen, bomberen, bomen, borgen, borrelen, borstelen, bosseleren, botaniseren, boteren, bottelen, botvieren, bouderen, bouwen, bowlen, boycotten, brabbelen, braden, branden, brandschilderen, braveren, breidelen, breken, brengen, brevetteren, brevieren, brocheren, broddelen, brokkelen, brommen, brouilleren, brouwen, bruineren, bruisen, brutaliseren, bruuskeren, bubbelen, budgetteren, buffelen, bufferen, buigen, buitelen, bukken, bulderen, bundelen, bungelen, bunkeren, bureaucratiseren, busselen.